Kortverhaal
Mr. Harmonica PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door bart   
donderdag, 15 juli 2010 10:52

Ergens in de Algarve 1969

Micha is lang en mager, een beetje te mager, maar dat valt hier niet op. Het dorpje waar hij woont, Santa Luzia, is arm en leeft van de zee. Het ruikt er naar geroosterde vis en luistert naar weemoedige fado. Hier in de Algarvestreek is hij opgegroeid bij zijn grootouders, een vissersfamilie met Scandinavische roots. Zijn ouders zelf verdwenen tijdens een stormnacht en hebben het land nooit meer teruggevonden.

Als Micha naar het bakkerswinkeltje gaat wijst hij door middel van zijn mondharmonica aan wat hij wil. In een kort en mooi melodietje toont hij dan zijn dankbaarheid, zijn dankjewel. Kleine kinderen noemen hem ‘mister harmonica’ en vragen hem wel eens om een wat langer deuntje te spelen, maar dan komen hun ouders ertussen en trekken hen weg. Men weet dat de 'pide' of staatspolitie hem in het oog houdt sinds ze hem in verband brachten met Pedro, zijn jeugdvriend, een politiek gevangene.

Het is nu meer dan tien jaar gelden dat Pedro hem wilde overtuigen om mee te werken aan de revolutie, maar Micha voelde zich niet geroepen. Niet dat hij het eens was met het huidige regime, maar hij zag zichzelf nu eenmaal niet als een ‘rebel’. Na een heftige ruzie midden op het marktplein keerde Pedro hem de rug en richtte zich tot het volk om niet zoals 'hij' moedeloos toe te kijken maar woorden in daden om te zetten, waarna hij een schot in de lucht loste. Het volk juichte zijn krachtige woorden toe. De volgende dag werd Pedro samen met zijn dochtertje van tien opgepakt. De dorpsbewoners dachten dat Micha hem had verraden en negeerden hem sindsdien. Pas jaren later werd het dorp milder en had men enkel nog medelijden met zichzelf en de man die niets meer durfde zeggen.

Zodoende komt hij niet veel buiten en knutselt hij urenlang aan een oude ‘autocarro’, of zit hij thuis en leest. Hij houdt vooral van biografieën van beroemdheden, hun levens interesseren hem nu eenmaal meer dan die van zijn buren. Hij heeft er een hondertal staan op de vele bananenkistjes die als boekenrek dienen. Zo heeft hij heel zijn woonkamer omringd door boeken. Vooral de biografie van Dolores del Rio ligt hem nauw aan het hart, een Mexicaanse schone die danste met Fred Astaire in ‘Flying down to Rio’ en op haar zestigste nog een comeback maakte, florerend als Indiaanse naast John Wayne in ‘Cheyenne Autumn’.

In het dorp zijn verder nog enkele eetcafés en een barbier die openblijft tot middernacht. Je kan er de krant lezen terwijl de mannen uit de buurt zich laten scheren en er als westerse vrouwen wat ‘kletsen’.

De nacht waneer het volle maan is, is zijn nacht. Dan wandelt hij urenlang langs de kustlijn, de rimpels van de maan tellend in het koele water. Tot hij zijn lippen zet op het koude metalen ding, warmte blaast tot over de horizon en zijn klanken worden als zuchten van pure melancholie. In stilte bidt hij dat zijn vriend Pedro hem zal horen en zal vergeven. Hij is een romanticus, een romanticus die te stil en onopgemerkt zijn leven voorbij zucht.

Zijn muziek brengt melodieën die ieder moment kunnen breken en hoe langer hij erop speelt hoe meer het een executie van noten wordt, een emotie die dwingt en duistert. Ondanks die zwaarte behoudt hij steeds de controle over zijn adem, geen enkele valse noot, slechts een gedirigeerd schreeuwen. Op één van die nachten langsheen de eindeloze horizon hoort ‘Zij’ hem spelen.

Eerst ziet hij haar niet. Met zijn ogen gesloten en zijn lippen geperst bespeelt hij zijn‘Hohner Bleus Harp’. Op de rug van het strand, waar de wind krachtig blaast, staat Zij.

Net op het moment dat hij stopt om even de wind op te vangen met lippen nat en neus naar boven, wordt hij de geur van versgestampte druiven gewaar en opent de ogen.

Een rijzige gedaante schittert aan de horizon. Het is alsof er een briesje in haar haren woont, in slowmotion rolt en danst het in het rond en achter haar ogen lijkt een orkaan te wachten om hij die erin zal kijken mee te sleuren naar een einder dieper en krachtiger dan hij ooit heeft gekend.

Haar huid is niet van hier. Zij lijkt wel uit de maan geboren, ivoorwit en zacht glanzend, waarbij haar borsten glooiend in het witte gewaad als porseleinen peertjes pronken. Zij kijkt hem recht in de ogen aan, glimlacht even en gebaart hem haar te volgen. Zij zegt niets, daar houdt hij wel van en hij volgt haar als een lam zijn herderin.

Ze komen aan bij een huis violet van kleur - een oude kleur - enigszins afgebladderd. Het huis is versierd met een witte dakrand, een door groen overwoekerd plat dak en een grote verweerde deur in bladgoud.

Het is het huis waar Pedro vroeger woonde. Ondertussen was het in verval en in de vergeethoek beland, net buiten het dorp achter de zandrug van de oceaan. Wanneer Micha het herkent voelt hij een ijskoude rilling over zijn rug zweven. Maar zij is bij hem en lacht hem toe. Ze duwt de deur open en zonder verdere weerstand volgt hij haar sensuele bewegingen. Ze lokt  hem binnen, in haar wereld.

Daar wordt hij overvallen door een hevige rode kleur. Het gehele vertrek is rood geschilderd afgewerkt met okerkleurige tinten. Er staat een zetel, satijnzacht bekleed en voorin de kamer een klein houten verhoog, geconstrueerd met de welbekende bananenkistjes. De deur sluit zich achter hem, zij glimlacht en wijst naar het verhoogde stuk. ‘Speel voor mij’.

Hij kijkt haar enigszins verbaasd en toch vereerd aan en neemt plaats op de kistjes. Hij zal voor haar spelen zoals hij nog nooit heeft gespeeld.

Hij neemt zijn mondharmonica, zijn hand beeft. Hij klemt de harmonica stevig tussen zijn lippen. De eerste noten klinken zwaar; toch lijkt het alsof ze in harmonie samenvloeien met het rood in de kamer. Zonder zich te laten afleiden door het kleurenpalet en de bijna hypnotiserende klankschaal, creëert hij een muzikaal meesterwerk, blazend op een stuk metaal in dat kamertje voor haar; alleen voor haar. En zij, zij schittert, achterovergeleund en wegdromend in de zetel, het lijkt wel alsof het huis nog feller begint te kleuren, alsof de verwoeste leegte er tot leven komt. De symfonieën wisselen van kleine golven tot woeste stormen, als één groot geheel drijven de klanken door de kamer heen.

Hij bespeelt de maan, de sterren en de zon. Zo lang totdat het ochtend wordt en hij in elkaar stort; al zijn energie opgebruikt, weggeblazen tot wat waarschijnlijk één van de mooiste muzikale creaties aller tijden was.

Tegen de avond wordt hij wakker. Zij zit voor hem; hij glimlacht als een dolverliefd kalf. Zij kijkt star voor zich uit en wacht. Wanneer hij rechtkruipt merkt hij dat zijn linkerhand vastgeketend is aan een lange metalen ketting.

‘Speel voor mij’, vraagt ze.

Hij twijfelt even. ‘Speel voor mij.’

Opnieuw begint hij te spelen, een andere symfonie wordt geboren, nog mooier, nog krachtiger, nog meer onbezonnen, tot hij in elkaar stort. Zo drijven zijn dagen voorbij.

‘Speel voor mij’ en hij hoopt dat hij haar zal bekoren.
‘Speel voor mij’ en hij hoopt dat zij hem zal liefhebben.
‘Speel voor mij’ en hij hoopt dat zij hem zal bevrijden.

En hij speelt, mooier, zwaarder, stort in, vermagert, wordt bleker, weker, zwakker en ouder.

En zij; het lijkt wel alsof zij haar huid na iedere nacht nog strakker ziet spannen, jonger en mooier geniet zij hier ten volle van en zuigt in alle hevigheid zijn passie op, alsof zij zijn noten fijnmaalt en opeet. Steeds meer hunkert hij naar haar, als een puppy naast zijn bakje, pootje opgeheven en wachtend om beloond te worden, terwijl zij naar hem kijkt en lacht en zwijgt.

Hoe langer de nachten worden, hoe meer hij echter begint te twijfelen. Hij wil niet meer voor haar spelen, hij wil haar aanraken, gewoon in haar haren strelen, haar stem horen, haar huid voelen en haar vertellen over vroeger, over Pedro en Dolores, over het sleutelen aan autobussen en het eten van ovenvers brood. Hij wil dat zij hem leert kennen en leert voelen, niet alleen zijn muziek maar ook zijn lichaam, zijn huid, haar lippen, zijn lid, haar tong;  elkaar aanraken, in geest en lichaam. Vurig wenst hij dat zij hem op het einde van deze nacht, als hij instort, in haar armen opvangt en meeneemt naar het landschap waar Eros aan de macht is en liefde zowel tijd- als lijfverdrijf is.

Die nacht begint hij totaal anders. Hij beeldt zich in dat het koude metaal haar huid wordt en de harmonicagaatjes de mond waarin hij zijn liefde fluistert. Hij raapt zijn ‘harp’ met zijn ondertussen langgeworden nagels op en begint klemvast te spelen. Het voormalige zuchten wordt een zacht zoenen. Het is alsof de zware klanken een lichtheid krijgen die de hele ruimte doet zweven, helder en mooi als watervallen in een in stilte verzonken nacht. Zo zacht en beheerst speelt hij dat het lijkt alsof hij haar werkelijk aanraakt.

Zij kijkt verbaasd op en staat recht. Ze gaat naar hem toe en raakt hem nu voor het eerst aan, niet gewoon zachtjes, maar met een verwoestend harde klap in zijn gelaat. Onverstoord speelt hij verder. De verleidende tonen die nu echt contact zoeken vechten zich een weg naar haar, haar huid lijkt echter minder te blinken.

Zij wil zwaarte, de zwaarte van hem en niets meer dan dat. Haar huid schijnt plots lelijk en lijkt grijs en dof. Hij speelt verder, wilt het goedmaken en wordt nog wilder in zijn lichtheid. Zij slaakt een koude kreet, hij kijkt op, haar glans verdwenen, een verbitterde vrouw met groeven die op wonden lijken. Ontdekt en ontdaan verlaat zij, voor het eerst sinds de nieuwe maan, geschrokken het huis.

Hij ligt gebonden op het podium, verdwaasd, gewond en zijn mondstuk naast hem.

Met zijn nagels begint hij de metalen bovenplaat van zijn mondharmonica los te schroeven en gebruikt dit op zijn beurt als zaag. Wanneer het metaal volledig afgesleten is, gebruikt hij de tweede plaat die er aan de andere kant opzit. Zo ontkleedt hij zijn harmonica totdat hij de schakels van de ketting aan zijn handen doorgezaagd heeft. Wanneer de zon opkomt zijn de handen bevrijdt. Hij glipt naar buiten en loopt zo snel hij kan, zonder om te kijken, weg uit het huis, weg van haar; zo ver mogelijk weg van wat hij dacht dat alles was.

Enkele weken later ergens in de Algarve

Micha staat in een dorpswinkeltje, nog wat bleek en mager, maar verzorgd. Er staat een jonge vrouw achter het aanrecht, ze kijkt hem lief en vragend aan.

‘En wat wenst meneer?’
‘Gewoon, een brood’
Zij neemt een brood en legt het in zijn smalle handen.
‘Alsjeblief, gewoon een brood’ glimlacht ze naar hem.

‘Dankjewel’ zegt hij beleefd.

Op het aanrecht laat hij zo onopgemerkt mogelijk zijn vernielde mondharmonica achter. Ze kijkt hem verbaasd aan als hij de winkel verlaat en het ding ziet liggen.  Een nieuwsgierige klant ziet nu ook de mondharmonica liggen. ‘Misschien wil hij er niet meer op spelen?’ zegt hij. ‘Misschien wel voor een vrouw’, zegt zij met een ondeugende glimlachje en ze wil hem achterna hollen, maar hij is te ver weg. 

Met het brood onder de arm wandelt hij door de straat. De zon komt op en een glimlach krult zijn wangen. Hij wandelt naar het stadsplein en haalt er een brief naar boven die hij luidop zal voorlezen. Een brief gericht aan zijn vriend Pedro, de staatspolitie en allen die het niet willen horen.

 


Copyright © 2010. de Schrijversbent. Designed by Shape5.com